Dam tot Dam Classic 145km Wielrennen: I DID IT

Na de marathon kwam al snel het verlangen om een nieuwe uitdaging aan te gaan. Wil ik weer gaan trainen voor een marathon en zo ja, welke? Of wil ik een andere uitdaging aan gaan en zo ja, wat dan?

Het werd iets anders. Toen ik te laat was met mijn inschrijving voor de Dam tot Dam loop, kwam ik erachter dat er ook een Dam tot Dam Fiets Classic was. Niet 16km hardlopen, maar 145km wielrennen. Tijd voor een nieuwe uitdaging, tijd voor een nieuwe ervaring!

Mijn training was alles behalve goed. Waar ik voor de marathon nog keurig drie keer in de week ging hardlopen en een vast trainingsschema volgde, heb ik voor de Dam tot Dam classic maar drie keer echt getraind. Mijn verste afstand op de fiets was tot nu toe 90km, dus daar moesten er gisteren nog “even” 55km bij. Ik had het idee dat ik dit wel “even” zou doen, aangezien de 90km heel gemakkelijk waren gegaan. Als ik erop terug kijk, heb ik zonder problemen de tour uit gefietst, maar gemakkelijk was het niet. Verre van.

De wekker ging om 5.45u. Ik sprong uit bed, stapte onder de douche, trok mijn fietskleding aan en maakte mijn favoriete energie-ontbijt. Ik moest de trein van 7.10u halen, dus na mijn ontbijt sprong ik snel op mijn racefietsje naar het station, om te worden verwelkomt door een regenbui. “Waar begin ik aan?”, flitste direct door mijn hoofd, maar terugkeren naar huis, no way. Mijn reis naar Amsterdam verliep gelukkig voorspoedig (wat wil je ook op zo’n vroeg tijdstip op zondagochtend) en aangekomen op A’dam CS merkte ik dat ik niet de enige was die aan deze uitdaging begon.

De start (en finish) was op de Dam, mooier kan niet. Het verkeer werd stil gelegd, alle fietsers verzamelden zich en er werd afgeteld: 3, 2, 1 en gaan! Aan de ene kant had ik er heel veel zin in, maar aan de andere kant werd ik ook angstig van het feit dat mijn voorbereiding alles behalve goed was. Kan ik dit wel? Hoe voel ik me straks als ik finish? Ga ik überhaupt wel finishen? Deze twijfels verdwenen al snel. Het eerste stuk door het centrum van Amsterdam ging vrij gemakkelijk. Echt (race)fietsen zat er toen nog niet in gezien de vele bochten, stoplichten en voetgangers. Op sommige stukken lag het verkeer stil, maar op sommige stukken was het ook goed uitkijken. Dat was aan de ene kant vervelend, maar aan de andere kant ook wel relaxt, want de lange stukken non-stop rechtdoor fietsen kwamen er nog genoeg.

Het eerste stuk fietste ik lange tijd alleen en dat beviel me prima. Ik vond mijn eigen tempo en genoot van het parcours wat aan het begin (deels) hetzelfde was als de Dam tot Dam loop die enkele uren later daar zou passeren. Volgend jaar moet en zal ik deze ook lopen, want wat een sfeer! Overal hingen ballonnen en vlaggetjes en op meerdere plekken stonden bandjes en enthousiast publiek. Wederom stelde ik mijzelf de vraag waarom ik hier fietste, aangezien ik twee weken eerder nog een startbewijs aan mijn neus voorbij liet gaan.

Voor mijn gevoel duurden de uren tot aan de eerste stempelpost het langst. Op zich ook niet zo gek, want dit was ook het stuk waar ik vrijwel continu vol tegen de wind in moest fietsen. Ik had geen kilometer-teller, dus ik had continu geen idee hoever ik al was. Bovendien was ik benieuwd hoe hard (of juist hoe langzaam) ik fietste, want dan kon ik gaan rekenen hoelang ik ongeveer nog moest. Maar helaas, geen kilometerteller is geen afstand- en snelheidsindicatie. Ik kwam dus niet verder dan de simpele rekensom van fietsen + fietsen = vanzelf bij de eerste stempelpost aankomen. Et voila, toen opeens de stempelpost zich liet zien, was ik dan ook blij verrast. Ja, ik zit (nog maar) op 47km! Ik genoot van een bekertje AA, at een Snelle Jelle en fietste weer door.

Al snel merkte ik dat ik hoofdpijn kreeg. Een teken van (waarschijnlijk) te weinig vocht en dat kon kloppen, want ik vergeet altijd te drinken tijdens het fietsen. Op de een of andere manier ben ik hier met hardlopen veel meer gefocust op. Ik dronk snel wat extra water door mijn Camelbak (wat een uitvinding) en bikkelde door, want de harde tegenwind maakte het er allemaal niet fijner op. Ik hoorde om me heen dat we waarschijnlijk vanaf Schoorldam de wind in onze rug zouden krijgen en laat dit nou net nog 20km zijn. Aan de ene kant een “kleine” afstand, maar aan de andere kant mijlenver met volle tegenwind. Ik ging slim achter een grote, sterke, brede jongeman rijden om enigszins uit de wind te rijden en dat beviel goed. Het leek er alleen op dat hij op een gegeven moment zijn tempo minderde en mij min of meer vroeg om hem over te nemen. Ik haalde hem in en ja hoor, nu kwam hij in mijn achterwiel rijden. Grappig om te merken dat ook deze man het op dit stuk zwaar had. We wisselden elkaar enkele keren af en ik hield me telkens voor dat dit de laatste km’s tegen de wind in waren, om nog maar niet aan de overige km’s te denken die ik nog “gewoon” moest fietsen.

Bij Schoorldam, op ongeveer het 70km-punt, kwam inderdaad de langverwachte afslag naar rechts. Eindelijk de wind in de rug! Dat gevoel gaf energie, want wat scheelde dat veel. De kilometers schoten onder me door op weg naar de verzorgingspost, waar een banaan en een krentenbol op me lagen te wachten. Geen bijzondere lunch, maar na ruim 80km wel zeer welkom. Mijn pauzes hield ik kort, want ik wilde zo snel mogelijk binnen zijn. Niet dat je echt op een tijd rijdt, maar ik verlangde gewoon naar de finish.

En die finish kwam langzaam maar zeker dichterbij. Vanaf het 100km-punt kon het aftellen beginnen en dat deed ik, want wat keek ik uit naar die eindstreep. Het is niet dat ik een punt bereikte dat ik niet meer kon, want op de een of andere manier kon ik vrij gemakkelijk blijven fietsen en bleef een échte vermoeidheid uit. Maar het feit dat ik al ruim 6(!) uur (bijna) non-stop aan het fietsen was, deed me verlangen naar rust. Gewoon even zitten (op een zachte ondergrond ipv een hard fietszadel) en de benen omhoog. Een kleine 6uur en 30min later kwam ik aan (in een opstopping) bij de finish. Het zat erop: I DID IT! Ik klikte mijn schoenen uit de pedalen, ontving mijn medaille, kreeg een flesje drinken en ging zitten en genoot. Wauw, wederom: I did it!

De achtbaan van emoties die ik met de marathon had leren kennen bleef uit. Dit was anders, maar niet minder mooi. Het feit dat ik (bijna) zonder training “even” 145km kan fietsen gaf me een euforisch gevoel. Een hele dag op de fiets. Benen die niet alleen moe zijn, maar meer dan leeg zijn, gewoon op zijn. Het gevoel dat je geen energie meer over hebt. Je alles hebt gegeven. Je volmaakt gelukkig bent omdat je je zo moe voelt. Ja, dat is waar sport om draait. Een uitdaging aan gaan en je doel bereiken. Weten dat niets onmogelijk is, als je er maar voor gaat. Ik herhaal: Impossible is nothing!

2 Comments

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *